Iedereen droomt een paar uur per nacht.
Ook al herinnert u zich er misschien niets van. Als u slaapt, volgt
u een ritme. Je slaapt afwisselend diep en minder diep.
REM-slaap
De droomslaap komt voor in een periode waarin u wat minder diep
slaapt. Dit heet de REM-slaap (Rapid Eye Movement). In deze periode
worden uw hersenen heel erg actief en maken uw ogen snelle
bewegingen. Alle grote spieren zijn uitgeschakeld, anders zou u
echt je dromen gaan uitvoeren. In een nacht komt u vier of vijf
keer in zo'n REM-slaap terecht. U hebt dus ook vier tot vijf
dromen. Naarmate de nacht verstrijkt, worden de periodes met
REM-slaap steeds langer. De laatste duurt ongeveer een half uur tot
drie kwartier.
Droomduiding
Er zijn verschillende theorieën waarom we dromen. Het zou kunnen
gaan om onderdrukte gevoelens uit ons onderbewuste. Die theorie
werd voor het eerst beschreven in 1900 door psychiater Sigmund
Freud. Door iemands dromen te verklaren, zou u dus een blik in
iemands ziel kunnen werpen. Nog steeds bestaan er droomduiders en
boeken met betekenissen van dromen. Maar u kunt zich voorstellen
dat niet alle beelden hetzelfde betekenen voor iedereen. Een rat
bijvoorbeeld, is iets heel anders voor een dierenarts dan voor
iemand die ooit door een rat gebeten is.
Ruis van de machine
Als we dromen zijn onze hersenen ineens heel erg actief, alsof we
wakker zijn. Sommige wetenschappers dachten dat de hersenen 's
nachts niet zo lang inactief konden zijn. Dat zou ongezond zijn,
dus zorgde het lichaam dat het brein actief werd. Daardoor zouden
er beelden loskomen, onze dromen. Die dromen zijn dan vergelijkbaar
het lawaai wat een machine maakt als u hem aanzet. Volgens deze
wetenschappers hebben de dromen zelf geen betekenis of nut.
Informatieverwerking
Over het algemeen nemen wetenschappers tegenwoordig aan dat tijdens
de REM-slaap de indrukken van de afgelopen week worden verwerkt.
Informatie wordt opgeruimd, gesorteerd, gewist en opgeslagen in de
hersenen. Hierdoor krijgt u dromen. Kinderen dromen meer; zij
hebben nog meer nieuwe dingen te verwerken. Dat dromen vaak zo raar
verlopen, komt doordat uw werkgeheugen niet mee doet. Dit geheugen
zorgt dat je veel dingen tegelijkertijd kan onthouden. Als je
droomt kunt u zich maar op één ding tegelijkertijd richten. Dus
vraagt u zich ook niet af of iets eigenlijk wel kan. Overigens kan
het voorkomen dat u wel beseft dat u droomt. In dat geval heeft u
een lucide droom. Met wat oefening kunt u zo'n droom zelf
sturen.